Home

 

De zomer van 1988

In juni 1988 eindigde mijn contract als assistent uitvoerder op een bouwproject in het centrum van Haarlem. Ik had wat geld gespaard en het was hoog tijd om daar tijdens de zomermaanden van te genieten. Marcel, mijn beste vriend, werkte als loketbeambte in een postagentschap in de winkel van zijn ouders. Hij zou binnenkort gaan studeren aan de PABO en hij was hard aan vakantie toe, nu hij het zich nog kon veroorloven. Hij wilde al jaren de Griekse eilanden verkennen, nadat hij er eens over gelezen had in de Nieuwe Revu. “Nu of nooit!” vertelde ik hem. “Ja maar, het is te druk in de winkel in deze tijd, de staatsloterij heeft een grote trekking volgende maand”, was zijn verweer. “Iedere werknemer heeft recht op vakantie, zelfs als je vader je baas is!” Na lang zeuren liet z’n vader hem gaan, na de loterijtrekking in juli. Dat gaf me nog een maand om wat anders te doen, maar het EK in West Duitsland zou het komend weekend beginnen! Daar kon ik me de komende 3 weken wel mee vermaken, als Nederland niet te snel uitgeschakeld zou worden.

Vrijdagavond nam ik de trein naar Zwolle om Marinske, een aankomend journaliste bij de Zwolsche Courant, te bezoeken en wat tips van haar over Griekenland te krijgen. Ze had daar de voorgaande zomer de vakantie van haar leven meegemaakt.

Haar foto’s van zonovergoten eilanden met witte dorpjes brachten me al gauw in de stemming, terwijl Italië en Duitsland de eerste wedstrijd van het toernooi speelden. Mancini scoorde voor Italië en de wedstrijd eindigde in een 1-1 gelijkspel. Verassenderwijs versloeg Ierland Engeland na een vroege goal. We spraken nog steeds honderduit over Griekenland en ik vertelde dat ik behalve de feesteilanden ook wel wat van het authentieke Griekenland wilde zien. “Vanuit Patras kun je een boot naar de Ionische eilanden nemen, daar zie je bijna geen toeristen”, vertelden Marinske en haar vriend me. Ik vroeg me af of ik Marcel zover zou kunnen krijgen om daar naartoe te gaan.

Nederland speelde zijn eerste wedstrijd op een groot toernooi sinds 1980! 80 minuten aanvallen leverde echter niets op en de Sovjet Unie scoorde uit een counter en won de wedstrijd. Het EK leek al over voordat het goed en wel begonnen was. “Weet je wat ik doe? Ik boek morgen een vliegtuig naar Athene voor Marcel en begin woensdag te liften naar Italië. Ik neem de boot van Ancona naar Patras en vermaak me zelf wel even op de Ionische eilanden en in de Peloponnesos. Dan kan ik zelfs Olympia nog zien! Marcel haal ik volgende maand wel van het vliegveld af, dan kunnen we samen de feesteilanden afstruinen.” Dat vonden ze een goed idee, ik had toch tijd zat. “En Nederland wint nooit zolang ik hier ben, ik voel gewoon dat hoe verder weg ik ben, hoe beter ze zullen voetballen!”

Maandag kocht ik voor Marcel een vliegticket naar Athene voor de 2e zaterdag in juli. Ik schoof het in het laatje van zijn postloket en zei: “Je vertrekt de 2e zaterdag in juli, zorg ervoor dat je 2 uur voor je vertrektijd op Schiphol bent. Je ontmoet mij in de terminal in Athene. Ik vertrek woensdag.”

Woensdagochtend stond ik bij de oprit van de snelweg aan de oostkant van Haarlem met mijn duim omhoog, iedere keer dat het stoplicht op groen schoot en de auto’s me voorbij stuifden. Het duurde anderhalf uur voordat ik mijn eerste lift, naar Ouderijn, kreeg.

Om 7 uur ‘s avonds zat ik wat te eten in een Raststätte voorbij Keulen. De eerste dag was al voorbij en ik was amper 300km opgeschoten. Ik had verwacht nu al in Zwitserland te zijn en de volgende ochtend een lift naar Milaan te krijgen. De tv in het restaurant stond aan en Italië speelde tegen Spanje. Toen Italië scoorde, viel me op dat alle mannen die zaten te kijken erg opgewonden raakten. Het zijn allemaal Italianen, besefte ik toen. Vrachtwagenchauffeurs natuurlijk. Misschien kan ik vanavond nog een lift naar Italië krijgen.

Nadat de scheidsrechter voor de laatste maal gefloten had en de Italianen elkaar op de schouders sloegen, kwam er eentje naar me toe. “Fahren Sie nach Italiën?” vroeg hij in gebroken Duits. Ja, daar was ik toevallig naartoe op weg. “Avez vous une license de conduire?” vroeg hij nu in Frans. Ja, natuurlijk, maar waarom wilde hij weten of ik een rijbewijs had? “Milano?” was zijn laatste vraag. “Si, Milano!” en samen liepen we de parkeerplaats op. Zijn vrachtwagentje zag er wel wat miserabel uit tussen de gigantische opleggers. Maar toen ik eenmaal in de cabine zat voelde ik me toch koning van de autobahn. De zon ging net onder en het uitzicht vanuit de hoge cabine was fantastisch.

In een combinatie van Duits, Frans en Italiaans begon Claudio, de chauffeur, me uit te leggen dat hij wilde dat ik de vrachtwagen naar de Zwitserse grens zou rijden, zodat hij kon slapen. De volgende ochtend zou hij het laatste stuk naar Milaan rijden. Al gauw verwisselden we van plaats en voor het eerst in m’n leven bestuurde ik een vrachtwagen! Een kleintje weliswaar, maar toch…

De chauffeur duwde een bandje van Harry Belafonte in de stereo. Dat moest mij de komende uren wakker houden. Andere vrachtwagens die me inhaalden knipperden met hun koplampen als groet aan een mede-trucker. Het liep al tegen middernacht en iedere 20km zag ik op een bord langs de weg Zwitserland dichterbij komen. Basel 200km, Basel 180km, enz. Na middernacht begon het echter steeds moeilijker te worden mijn ogen open te houden. Ik zou moeten stoppen voor een kop koffie, maar ik zag zo gauw geen wegrestaurant. Tergend langzaam kroop Basel dichterbij: 80km, 60km. Eindelijk: Basel 20km, hier moest ik hem wakker maken. Een paar vriendelijke duwtjes en hij rekte zich behaaglijk uit. Na een paar minuten wist hij waar we waren: volgende afslag eraf. Na uren haalde ik eindelijk mijn voet van het gaspedaal en stuurde de vrachtwagen een benzinestation binnen. Daarom wilde Claudio voor de grens gewekt worden. Hij moest wel even de vrachtwagen met diesel opvullen voor het veel duurdere Zwitserland. Ik vertelde hem dat ik nu echt te moe was om verder te rijden en Claudio reed de truck naar een parkeerterrein zodat we samen een paar uurtjes konden pitten.

Zodra het licht werd gingen we weer op weg. De grens over, de Gotthard tunnel door en voorbij de Italiaanse grens stopten we bij een wegrestaurant. Claudio stond erop espresso’s en pannini voor me te kopen. Daarna reden we het laatste stuk naar Milaan en zette hij me bij een tramhalte af. Toeterend nam hij afscheid.

Het was nog vroeg in de ochtend, dus ik pakte de Michelin kaart van Italië en ging eens bedenken wat ik de rest van de dag zou doen. Ancona was nog een flink eind weg, en met mijn vinger volgde ik de route. Halverwege lag Bologna. Ik wist niets van die stad, maar het leek me wel een ideale bestemming voor die dag. Als de tram me naar het station brengt, neem ik gewoon de trein naar Bologna, dacht ik. Dan kwam ik daar vroeg genoeg aan om Nederland tegen Engeland te zien voetballen.

In Bologna aangekomen bleek de jeugdherberg zich een eind buiten de stad te bevinden. Wat nu te doen? In de stad een café met tv vinden en daar wachten of eerst een slaapplaats bemachtigen? Ze zullen in die jeugdherberg ook wel een tv hebben, dacht ik. Dat bleek echter tegen te vallen. De herberg was een mooi landhuis met een prachtige tuin eromheen, maar zo rustiek, dat er geen tv te vinden was. Dus weer terug naar de bushalte. Na lang wachten verscheen er eindelijk een bus die me terug naar de stad bracht. De wedstrijd moest inmiddels al half verlopen zijn. Toen ik eindelijk een café gevonden had, bleek Nederland met 2-1 voor te staan. “2 Torre von Van Basten!” vertelden een paar Zwitsers me. Marco in de spits en we scoren weer, dacht ik en hij prikte er gelijk nog eentje in. De verloren zoon was terug en hoe!

De Zwitsers bleken ook in de herberg te verblijven, dus we namen samen de bus terug. ‘s Avonds bood een alleen reizende Amerikaanse aan samen haar fles wijn leeg te drinken in de tuin. “A toast to San Marco!” riep ik toen we de glazen hieven. “You’ve been to Venice?” vroeg de Amerikaanse. “No, he scored 3 goals in Germany today!”. Ik zei tegen de Zwitsers dat ik het gevoel had dat dit wel eens Marco’s toernooi kon worden.

De laatste wedstrijd tegen de Ieren zou zaterdag plaats vinden, dus ik moest gelijk de volgende avond de boot naar Patras nemen. 2 Nachten op de boot en zaterdagochtend vroeg zette ik voor het eerst in mijn leven voet op Griekse bodem. Nu zorgde ik er wel voor dat ik geen minuut van de wedstrijd miste, maar tot diep in de 2e helft werd er niet gescoord. Mijn hart stond stil toen een bal van de paal via Frank Rijkaard’s rug in het doel dreigde te belanden, maar nog net door Hans van Breukelen werd gered. Een afstandschot van Ronald Koeman vloog via Kieft’s hoofd het Ierse doel in. Nederland was in de halve finale, weliswaar met de hakken over de sloot, maar nu ging het pas echt beginnen.

Na het weekend zou ik de boot naar Kefalonia nemen. De boot bleek echter eerst in Ithaki te stoppen. Ithaki, was dat niet het eiland van Odysseus? Mijn kennis van Griekse mythologie komt weliswaar meer uit stripboeken dan van Homerus’ dichtwerk, maar Odysseus was altijd mijn favoriet geweest. Geen domme krachtpatser als Achilles, Hercules, Ajax en Leonidas, waar zoveel Nederlandse sportclubs zich naar vernoemd hebben, maar iemand die met zijn verstand de Trojaanse oorlog besliste en daarna 10 jaar lang de Middelandse zee bevoer. Waarom ging ik daar niet eerst naartoe? Op weg naar de veerboot zag ik de Bild Zeitung in een rek liggen. “JETZT GEGEN HOLLAND! Das werdet ein Superspiel!” En een analyse: “Schwer aber zu schaffen”. Die rekenen zich al in de finale, dacht ik.


Ithaki


Onderaan de loopplank in Ithaki werd ik aangesproken door een oudere vrouw: “Room, room?”. “Where and how much?”, antwoorde ik. Ze wees naar het einde van het haventje. Een kamer met uitzicht op de haven, dat zou wel erg mooi zijn. Het uitzicht vanuit het kamertje was adembenemend voor iemand uit een vlak land. Een enorme berg vormde de achtergrond van het pittoreske haventje. De kamer zelf was prachtig, waarschijnlijk de slaapkamer van haar eigen zoon, toen hij nog thuis woonde. Nu moesten we nog over de prijs onderhandelen. Aan de keukentafel gezeten vierde de spraakverwarring hoogtij. Iedere keer dat ik in m’n beste Grieks vroeg hoeveel de kamer kostte, antwoorde ze:”Dees, dees!” Uiteindelijk begreep ik dat ze wilde weten hoeveel dagen ik zou blijven. Ik stak 3 vingers op. Dat zou me een tientje per nacht kosten. Goedkoper dan een stapelbed in een jeugdherberg.

Nadat ik m’n rugzak had uitgepakt, ging ik op verkennning door het dorpje. Ik moest een café met een tv vinden, waar ik ‘s avonds de wedstrijd kon bekijken. Dat bleek wel heel makkelijk. Pal naast het huis waar ik verbleef was het enige restaurant aan het haventje en dat deed tevens dienst als dorpskroeg. Aan het einde van het zaaltje stond een grote tv op een verhoginkje. Ik vroeg de kroegbaas in Griekse woorden uit mijn taalgidsje: “voetbal? vanavond? Jermania? Holandia?” Zijn ogen lichten op en hij wees naar de tv. Vanavond voetbal op de televisie!

Later die middag kwam ik terug bij mijn verblijfhuis. Toen ik de trap opliep hoorde ik stemmen boven. Het leek Engels met een sterk Duits accent. Zouden dat de buren in de kamer naast de mijne zijn? Ik zag een jonge man en vrouw in het keukentje die een beetje boos tegen de huisbazin tekeer gingen. Toen ze mij zagen vielen ze plotseling stil. Ik moest me maar even voorstellen. Ik begon in Engels: “Hi, are you staying here?” Ik had wel weer eens behoefte aan een praatje en een beetje gezelschap. Ze bleken blij me te zien en vroegen of ik met ze mee wou een bakkie te doen in een van de cafés. Gezellig!

Een kwartiertje later zaten we aan een tafeltje buiten. Het bleek een pasgetrouwd Duits stel te zijn, Peter und Gaby, die al een paar weken op vakantie waren op de Griekse eilanden. Peter was een lange, slanke man, eind 20 met bruin haar. Gaby was iets jonger, blond en leek zich er niet echt van bewust wat een uitzondelijk knap meisje ze was. Morgen gingen ze terug naar Korfu en vandaar met het vliegtuig terug naar huis. “Dat komt goed uit” zei ik want “Heute Abend spielt die Bundesrepubliek gegen Holland!” Dat ontlokte een kreet van blijdschap. Vooral Gaby was dolenthousiast. Ze hadden het EK nauwelijks gevolgd tot nu toe, maar ze had in de krant gelezen dat Die Mannschaft in vorm was en op weg naar een Europese titel in eigen land. “Wie das Weltmeisterschaft in 1974! Das war so schön!” Vele verhalen volgden over die mooie zomer van ’74. Daarna vertelden ze wat meer over hun dagelijkse leven, over Bayern, waar ze al weer een aantal jaren woonden, maar waar ze zich als Noordduitsers totaal niet huis voelden. En wat deed ik nou in mijn eentje hier? Ik legde ze uit hoe ik op dat eiland verzeild was geraakt en dat ik over 2 weken een vriend van het vliegveld in Athene af zou halen. Toen kwamen de verhalen over de huisbazin, die ze ervan verdachten door hun spullen te snuffelen. “Tsjaa”, zei ik, “het is ook geen hotel. Het is haar huis en ze beschouwt die kamers als haar eigendom, zelfs als er gasten verblijven. Ze lijkt altijd een beetje boos, maar dat komt volgens mij omdat ze alleen Grieks spreekt. Je kunt moeilijk een praatje met haar aanknopen.”

We vonden ‘s avonds een vrij tafeltje in het stampvolle café. Het leek of de hele mannelijke bevolking van Ithaki hier de wedstrijd kwam bekijken. Vrouwen waren er echter nauwelijks. Nederland leek z’n beste wedstrijd te spelen in de 1e helft. De bal kwam regelmatig voor het Duitse doel, maar uitgespeelde kansen waren er niet toch niet veel. Ik zat me stilletjes op te vreten en onophoudelijk uit een halve liter fles Amstel te drinken. De rust bracht de gelegenheid om even te ontspannen. Peter en Gaby hadden wel door dat ik erg gespannen was. Ik legde uit dat Nederland tijdens mijn leven nog nooit van Die Mannschaft gewonnen had. Als ze vanavond winnen zou het voor het eerst sinds 1956 zijn! Voor het eerst sinds 1956? Dat konden ze bijna niet geloven.

De 2e helft gaf een zelfde spelbeeld tot halverwege Klinnsmann zijn kans schoon zag om tegen Frank Rijkaard aan te lopen en zich theatraal te laten vallen. Mijn hart stond stil: het zal toch niet weer gebeuren? Ja hoor, de scheids wees al weer naar de stip. “Altijd hetzelfde liedje!” riep ik in het Nederlands uit en begon een scheldtirade tegen scheidsrechters in het algemeen en waarom de domsten altijd Nederland tegen Duitsland moesten fluiten. Peter en Gaby keken me angstig aan. Toen de bal tegen het net knalde, bestelden ze maar gauw een nieuw biertje voor me. Oranje liet zich echter totaal niet uit het veld slaan. Het spel speelde zich al gauw weer op de Duitse helft af. Het bleef erg moeilijk een gaatje in de hechte defensie te vinden, maar plotseling sprong Marco van Basten achter de bal aan het strafschopgebied binnen, Kohler stak zijn been nog uit en….”PENALTIE! PENALTIE!” Ik was vanachter het tafeltje opgesprongen en stond voor de televisie tegen de scheidsrechter te schreeuwen. Marco lag op zijn buik in het gras en keek over zijn schouder naar de scheids met een blik van: “Wat was dat nou, scheids?” Die had echter geen aanmoediging nodig en wees resoluut naar de stip. Met mijn vuisten gebald en armen geheven liep ik terug naar mijn Duitse vrienden. “Eerlijk is eerlijk, als die Klinnsmann duik al een penaltie was, was dit er wel 2 waard!” Ze keken wat zorgelijk, maar toch schijnbaar opgelucht dat ik plotseling mijn goede humeur weer terug had. “Koeman mist nooit” zei ik nog en de bal vloog het doel in. 1-1! “Jetzt fangt’s an!”

Nog maar een paar minuten op de klok, zou het verlengen worden? En dan na een penaltiereeks eruit? Ik moest er niet aan denken. Het was onderussen al donker in Hamburg en Marco was weer van Kohler los! Hij raakt de bal net voordat Kohler’s sliding hem onderuit werkt, Immel duikt nog, maar de bal raakt de binnenkant van het net! GOAL! GOAL! GOAL! Ik stond weer voor de tv te springen, rende terug naar het tafeltje en omhelsde Peter en Gaby. “Erster Mahl seit 1956!” Maar er waren nog een paar minuten te spelen. Dit was Die Mannschaft, die geven nooit op! Met mijn handen voor mijn ogen keek ik tussen mijn vingers door hoe de Duitsers nog met de moed der wanhoop aanvielen, maar toen zag ik de Oranje spelers de armen heffen, Ruud rende van het veld naar de bank, Michels ving hem op. Het was over, we hadden gewonnen! Ik viel weer met mijn gezicht tegen de lichamen van mijn nieuwe vrienden, een vochtig oog tegen Peter’s t-shirt, de andere tegen Gaby’s blote schouder. Na een tijdje richtte ik mezelf weer op. De tranen rolden nog steeds over mijn gezicht. “Entschuldiging fur diese Blötzin, aber… erster Mahl seit 1956, wie is das möglich?”

Gaby vroeg of ik niet naar een tafeltje buiten wilde verhuizen. Ja, een koel briesje buiten zou me wel goed doen. Langzaam kwam ik weer tot mijn zinnen. Voorzichtig vroegen ze of besefte dat alle Grieken daarbinnen met stomheid geslagen waren. “Wat, omdat Nederland gewonnen heeft? Ja, daar zullen er zich wel meer over verbazen!” “Nee, vanwege jouw gespring en geschreeuw!” Mijn gespring en geschreeuw, waar had ze het nou over? Dat viel toch wel mee? Gaby vertelde me wat ik allemaal gedaan had de 2e helft. Sorry, maar daar was ik me niet van bewust. Ik was een beetje emotioneel, maar ja….erster Mahl seit 1956!

De volgende ochtend bracht ik het jonge stel naar de veerboot. Een hand van Peter, een dikke zoen van Gaby en ik bleef nog op de kade staan zwaaien tot de boot uit het haventje verdwenen was. Zou ik ze ooit nog terugzien? Waarschijnlijk niet, ze zouden voor mij alleen als vakantie herinneringen blijven bestaan. Ik slenterde terug langs het haventje, en ik had het gevoel alsof iedereen me met een grote glimlach aankeek. Vreemd, gisteren gunde niemand hier me een blik waardig. Ik voelde met mijn hand of mijn broekrits wel dichtzat. Ja, daar lag het niet aan.

Ik huurde een brommertje en reed de bochtige weggetjes van het eiland rond. Aan het andere eind vond ik een miniscuul museumpje waar wat archeologische vondsten tentoongesteld werden. Niet bijster spectaculair, maar de eigenares bleek een beetje Nederlands te spreken. Ze had in Zuid Afrika gewoont.

‘s Middags kwam ik weer in het dorpje terug. Ik zag een grijze, stalen scheepsmast met antennes, radars en andere apparatuur boven de huisjes uitsteken. Ik stopte het brommertje en bleef even naar het stalen bouwsel kijken. Dat zal toch niet waar zijn…. Ik reed om de huisjes heen en zag een enorm wit motorjacht aan de kade liggen. 2 of 3 jaar eerder werkte ik een jaar lang op een scheepswerf waar zulke jachten gebouwd werden. En dit was de Paminusch, het jacht van de Duitse bierbrouwer Prinz Joachim die ook nog Fürst zum Fürstemberg was. Ik had vele maanden op dat schip gewerkt. Ik keek vanaf de kade of ik een bekend gezicht aan boord zag. Ik zag een paar bemanningsleden, maar ze kwamen me niet bekend voor. Toen haalde ik mijn camera uit mijn rugzakje en nam een foto. Had ik in ieder geval een bewijs dat ik dat jacht weer tegengekomen was. Anders zou niemand me geloven! Maar wat doet zo’n miljonairsschuit nou in een onbeduidend haventje als Ithaki? Geen casinos of exclusieve restaurants hier. Het is practisch onmogelijk om hier meer dan een paar tientjes per dag uit te geven. Misschien dat de satelietnavigatie weigerde en ze de koers naar Monte Carlo niet meer konden vinden? Wat een ironie, Odysseus was 10 jaar lang verdwaald in de Middelandse Zee voordat hij Ithaki terugvond en de Paminusch verdwaald en komt uitgerekend op Ithaki terecht!


De Paminusch


‘s Avonds at ik weer in het restaurant aan het haventje. De huisbazin zat ook aan een tafeltje en zodra ze mij zag, stuurde ze een van haar tafelgenoten op me af. Het bleek een zeeman te zijn, die heel behoorlijk Engels sprak en zelfs een beetje Nederlands. Hij vertelde dat hij vaak op Rotterdam voer. De huisbazin vroeg hem hoe lang ik nog zou blijven. Ik antwoorde dat ik pas zondag weer zou vertrekken. Haar gezicht vertrok in een stralende glimlach toen ze mijn antwoord van de zeeman hoorde. Een gast die een hele week kamerhuur opleverde, dat overkwam haar waarschijnlijk niet vaak.

Later zat ik weer voor de tv in het restaurant om de andere halve finale te bekijken. De Grieken moedigden Italië fel aan, maar moesten toezien hoe de Sovjet Unie zonder veel problemen de wedstrijd won. NL-SU was dus de finale, net als de eerste groepswedstrijd, 2 weken geleden. Ik ging buiten nog maar een biertje drinken. Ik zat alleen aan een tafeltje toen ik uit het duister een enorme kerel te voorschijn zag komen, wild krullend haar, grijze baard en in onberispelijk wit gekleed. Toen hij vlak langs mijn tafeltje liep, zei ik: “Bugart?” Hij draaide zijn gezicht naar me toe, knipperde een paar keer met zijn ogen en zei: “André? What on earth are you doing here?” “Well, I’m on holiday, but I didn’t expect to see your ship here!” antwoorde ik. Bugart was de bootsman van de Paminusch. Tijdens de bouw van het schip waren er 3 opzichters op de werf aanwezig, de kapitein, de machinist en de bootsman. En Bugart was altijd in ons werkplaatsje te vinden, waar we een koelkastje hadden voor al het bier dat hij altijd meebracht uit Donaueschingen, waar de brouwerij van de prins gevestigd was.

Bugart plofde neer op een stoeltje en begon honderuit te vertellen, dat ze machinepech hadden en daarom hier moesten overnachten, dat hij urenlang op zoek was geweest naar een aantal kreeften, want de baas en zijn gasten wilden wel behoorlijk eten natuurlijk, dat ze op weg waren van Mykonos naar de Adriatische Zee. En dat het hem opgevallen was dat ik niet meer op de scheepswerf werkte, hij was er een aantal maanden geleden nog geweest. “Zwei Bier, bitte! riep hij naar de ober, die het zonder het te verstaan wel begreep. Toen hij even later de 2 halve liters Amstel bracht, zei hij “140 drachmen” “Nein, nein” zei Bugart “I pay for both beers of course!” “Ja, 140 ist für beide” kwam ik tussenbeide. Hij keek me ongelovig aan. “On Mykonos I don’t even get half a beer for that!” Ja, als je altijd in de thuishavens van de “Rich & Famous” leefde was het wel een verassing als je een keer de lokale prijs betaalde.

Meer bemanningleden kwamen aangewandeld, allemaal herkenbaar aan hun witte uniform, en schoven aan ons tafeltje aan. Dit waren Fransen, wat niet zo vreemd was, want de thuishaven van de Paminusch was Monte Carlo. Bugart begon een Duits/Frans/Engelse scheldtirade tegen Franz Beckenbauer en z’n belabberde Mannschaft, er werd weer bier besteld en toen kwam zelfs de kapitein erbij zitten. Hij viel zowat van z’n stoel toen hij mij herkende, maar Bugart legde hem snel uit wat ik daar deed en toen besloot ik nog maar een rondje bier te bestellen. De kapitein liet me echter niet betalen, hij legde snel de ober een paar honderd Drachmen in z’n hand. “Auf die zufallige wiedervereinigung!”, riep hij met geheven glas.

De zon stond al hoog aan de hemel toen ik de volgende morgen de gordijnen openschoof. De Paminusch was al vertrokken. Ik moest even op m’n bed zitten en langzaam mijn gedachten op orde brengen en de hoofdpijn weg laten zakken. Een paar minuten onder de douche zouden me goed doen, en toen ik me daarna aangekleed had, wilde ik koffie gaan drinken op de kade. De huisbazin zat me echter op te wachten. De achterdocht van de eerste dagen was nu compleet verdwenen en de glimlach was niet meer van haar gezicht te branden. Ze had de café greco al klaar staan in haar keuken. Echt praten konden we natuurlijk niet, maar ik begreep wel wat ze me wilde vertellen. Fotoalbums kwamen te voorschijn, vele foto’s van haar zoon, in wiens kamer ik verbleef, en haar dochter, die nu beiden in Athene woonden, trouwportretten, babyfoto’s en nog veel meer familieportretten. Na m’n 3e kopje koffie kende ik de hele famile.

Ik reed het eiland nog een paar keer op en neer en sliep wat op een miniscuul strandje, at en dronk op de kade tot eindelijk de grote dag aanbrak. De finale werd ’s middags gespeeld. Een kwartier voor de wedstrijd stapte ik de dorpskroeg binnen en….

Daar stond een tafeltje met 1 stoel recht voor de televisie. De ober zag me binnenkomen en zette gelijk een fles bier op tafel. Ik bleef aarzelend op de drempel staan, maar alle ogen waren op mij gericht en leken te zeggen: “Ga nou zitten daar!” Tenslotte deed ik dat maar. Ik voelde me enorm opgelaten, iedereen zat langs de muren en ik in m’n eentje in het midden. Er waren ook veel meer dames aanwezig dan voorheen. Na een paar minuten begon iedereen gelukkig weer te praten en voelde ik me iets meer op m’n gemak.

Toen de wedstrijd eindelijk begon, vergat ik al gauw waar ik was en bleef ik gespannen naar het scherm kijken. Toen Ruud na een half uur de 1-0 binnenkopte, zakte ik opgelucht onderuit in mijn stoel. Voor mij was de finale een vervelende formaliteit die echter wel nog even gewonnen moest worden. Deze voorsprong zouden ze het toch niet meer uit handen geven! Na een minuut of 10 in de 2e helft scoorde Marco vanuit het niets het doelpunt van de eeuw. Ik sprong op, stootte de tafel omver, een bierfles brak in duizend scherven uiteen op de harde vloer en iedereen sprong toen juichend op. Dit was waar ze allemaal op hadden zitten wachten, het moment waarop ik mijn zelfbeheersing weer verloor. “Kijk nou, kijk nou!” probeerde ik ze te vertellen, “zo’n doelpunt heb je toch nog nooit gezien”, maar niemand leek nog in de wedstrijd zelf geinteresseerd.

Zondagochtend liep ik de loopplank naar de veerboot op, na talloze handen te hebben geschud. Ik had al die mensen een week gekend, maar vrijwel nooit een woord met ze gesproken. De huisbazin bleef op de kade staan tot de boot de haven uigedraaid was, en ik was weer alleen. De daaropvolgende weken kwam ik Nederlandse rugzaktoeristen tegen in de Peloponnesos, die me vertelden wat een feest het in Nederland was geweest en zelfs de VI in hun rugzak hadden. Dat gaf me een idee van wat er in Nederland allemaal gebeurd was.

Na een paar uur wachten op een vertraagd vliegtuig zag ik Marcel eindelijk de aankomsthal van het Olympic Airways vliegveld binnenlopen. Een blik van opluchting gleed over zijn gezicht toen hij me herkende in de wachtende menigte. Ik sprong op hem af, duwde hem een witte hoed die ik ergens in een toeristenwinkeltje had gekocht op z’n hoofd en schudde hem bij zijn schouders door elkaar. “Eindelijk ben je er dan!” Hij keek me aan en zei: “Besef je wat je in Nederland gemist hebt? Het grootste feest sinds de bevrijding!” “Ja, ik besef dat ik wel wat gemist heb”, antwoorde ik “maar wat ik hier heb meegemaakt, vergeet ik waarschijnlijk ook mijn hele leven niet meer!”.


Marcel (links) en André tijdens de zomer van 88


André van der Schee, 26 november 2007

André van der Schee werd in 1962 geboren op een steenworp afstand van stadion Schoonenberg. Het stadion van Telstar, de club waarvan André fan is sinds zijn eerste bezoek op 10 mei 1970 (Telstar-Ajax 1-1). Ging in de jaren zeventig en tachtig regelmatig op de fiets naar clubs in de buurt. Haarlem, Ajax, FC Amsterdam, natuurlijk Telstar en (iets verderop) AZ. Weet uit ervaring hoe sympathiek buurtgenoot Ruud Geels was en zag begin jaren tachtig Willem van Hanegem in een Haarlems café zitten! Hét hoogtepunt uit zijn sportieve periode. Een ander hoogtepunt was zijn huwelijk in 1992 met Esmeralda. Daarna volgde nog twee hoogtepunten in de vorm van zijn zonen Jurriaan (Haarlem, 1993) en Samuel (Melbourne, 1998). Met zijn gezin emigreerde André in 1996 naar Australië waar hij nu in Melbourne woont. Is werkzaam in de electrotechniek als tekenaar, installateur en ontwerper. Is actief voetballer, rugbyer, kanoër en is sinds 2004 actief mini-triathlonner. Heeft daarnaast ook nog tijd om te reizen, lezen én schrijven. Wordt ook wel de Australische Hugo Borst genoemd…